
De opwinding was groot vanochtend. School heeft een uitstapje naar het theater georganiseerd. Alle kinderen van zeven tot negen jaar gaan naar een goochelshow.
Omdat de afstand van het theater naar ons huis korter is dan die naar school, heb ik toestemming gekregen om Loek en Lise bij het theater op te pikken. Ik loop het gebouw binnen en ben precies op tijd om de bende uitgelaten kinderen de zaal uit te zien komen. Naast de deur van de uitgang van de zaal staat de goochelaar zelf, glimmend van trots en zweet, met zijn borst vooruit. Klaar om op de foto te gaan met ieder die dat wil. Hij ziet eruit zoals je hem zou verwachten in een kinderboek: slipjas, glimmende zwarte lakschoenen, hoge hoed, dikke zwarte snor en -zijn ongetwijfeld belangrijkste instrument- een goochelstok.
De eerste paar kinderen rennen naar buiten zonder de goochelaar op te merken. Dan volgt een groepje jongens, elkaar trekkend en duwend zoals jongens dat doen. De voorste blijft staan wanneer hij de goochelaar ziet. Hij is duidelijk de leider van het groepje. Hij gebaart de anderen om te stoppen, kijkt de man berekenend aan en schraapt zijn keel. ‘Bent u wel een echte tovenaar?’ vraagt hij. ‘Ik geloof er niks van, van die hele stomme show niet.’ De andere jongens grinniken, maar houden hun mond.
‘Jongeman, zoals je inmiddels wel begrepen moet hebben, ben ik geen tovenaar, maar een goochelaar. Dat is een wezenlijk verschil,’ reageert de goochelaar belerend.
‘Maar je hebt toch de hele voorstelling een toverstaf gebruikt? Kijk, daar op die poster heb je hem ook vast. Dan kun je toch toveren? Waar heb je anders een toverstaf voor nodig?’ De toon van de jongen wordt brutaal terwijl hij naar het affiche wijst waarop de goochelshow aangekondigd wordt met een nogal karikaturaal ogend portret van de man. Zijn vriendjes luisteren opgewonden naar wat komen gaat.
‘Ik ben een goochelaar, geen tovenaar,’ herhaalt de goochelaar streng. ‘Ik heb een goochelstok, geen toverstaf’. Blijkbaar is de voorstelling niet helemaal lekker gegaan, want hij klinkt verrassend geïrriteerd.
Inmiddels is het groepje kinderen al uitgedijd tot enkele tientallen en is een van de leerkrachten de zaal uit gekomen. Ze probeert het een en ander in goede banen te leiden. ‘Ik kan foto’s maken jongens, wie wil er op de foto met de goochelaar?’
‘Hij kan niet eens echt toveren!’, roept het brutale ventje. ‘Ik hoef geen foto van een mislukte tovenaar!’ De andere kinderen lachen luid.
Het gezicht van de goochelaar staat op onweer. De leerkracht biedt snel excuses aan voor het gedrag van de jongen. Meer om de goochelaar zelf rustig te krijgen dan dat ze de jongen erop aanspreekt. De goochelaar is zichtbaar opgelucht als de jongens doorslenteren en een paar rustige kinderen met hem op de foto willen. Loek en Lise zijn ondertussen bij mij komen staan, op een paar meter afstand van het tafereel. Loek wil niet op de foto, Lise wel.
Net als de goochelaar met een geforceerde glimlach op zijn gezicht gereed staat voor de eerste foto, rent de jongen terug en roept: ‘Een echte tovenaar heeft ook een puntmuts en niet zo’n stomme hoed! Neptovenaar met je neptoverstaf!’
Nu barst de bom. ‘Wel godverdomme, ik heb géén toverstaf! Die verdomde kinderen altijd! Brutaal klotejong!’ Door een mistgordijn van speeksel tovert de goochelaar een spervuur aan ongepaste scheldwoorden uit zijn hoge hoed. Dan gooit hij diezelfde hoed op de grond en smijt zijn goochelstokje achter de wegrennende jongen aan.
Het stokje komt niet ver, blijft voor mijn voeten liggen. Voor ik iets kan doen heeft Lise het opgepakt en brengt het terug naar de zwaar nahijgende man. Alle kinderen zijn muisstil van de schrik.
‘Alstublieft meneer,’ zegt ze zachtjes, ‘uw toverstaf.’
