Ik ben op weg naar de supermarkt. Op mijn flipflops. Het wandelingetje hoort bij mijn dagelijkse routine. Het proces van boodschappen doen – verzinnen wat we gaan eten, kijken wat er nog in de voorraadkast staat, lijstje opstellen, naar de winkel en terug naar huis lopen – zorgt voor een bevredigend ritme. Vandaag ga ik me wagen aan een eenvoudige zelfgemaakte tomatensoep. De inspiratie kwam toen ik vanochtend een kwartier naar een reproductie van Andy Warhol zat te staren, met van die soepblikken, die aan onze toiletmuur hangt.
Mijn voeten zijn koud door de airco. Ik zit ontzettend ongemakkelijk op mijn hurken een blikje tomatenpuree uit het onderste schap te peuteren. Er is plek voor minstens 300 blikjes, maar blijkbaar zijn er net 299 andere blikjes verkocht en ligt er eentje op mij te wachten, helemaal achterin, klem in het hoekje. Het lijkt een eeuwigheid te duren voordat het blikje loskomt. Opborrelende frustratie dreigt de overhand te nemen. Zweetdruppels op mijn voorhoofd. Ik ben al in staat om weg te lopen, terug naar huis zonder boodschappen, wanneer het blikje meegeeft en ik hem eindelijk te pakken krijg.
Uit het niets voel ik een felle pijnscheut net achter mijn linkerenkel. ‘Godverse hoeren kutzooi!’ vloek ik binnensmonds. De veel te oude vrouw, die zojuist vakkundig met het wieltje van haar winkelwagentje een stukje vel van zeker 3 centimeter tussen mijn hiel en enkel afgeschraapt heeft, kijkt onbewogen voor haar uit.
Ik beeld me in hoe ze buiten in de rij winkelkarretjes zorgvuldig het geschikte exemplaar uitzoekt. En dat ze er eentje vindt met precies de juiste ruwe afgesleten wieltjes, die ze nodig heeft om onschuldige hurkende mannen achter op hun hielen te rijden. Met een sadistische glimlach op haar verder emotieloze rimpelgezicht wacht ze geduldig tot dat ene karretje eindelijk aan de beurt is. Dat ze hier tien minuten op moet wachten, omdat er zes andere voor de hare staan, neemt ze voor lief. Haar geduld wordt beloond wanneer ze eindelijk haar muntje in het slot van het bewuste karretje mag schuiven. Traag maar doelgericht sluipt ze door de schuifdeuren naar binnen, op zoek naar een onoplettende huisman op slippers zonder sokken…
De werkelijkheid is minder spannend. Ze heeft me simpelweg nog helemaal niet gezien en is in de veronderstelling dat haar winkelkar tegen de stelling gebotst is. Afwezig gaan haar ogen langzaam alle schappen met pastasauzen langs, tot haar blik onderaan bij het lege schap van de tomatenblikjes aankomt. En dan pas ziet ze ook mij. ‘Ah meneer, verstoppertje aan het doen?’ vraagt ze met krakende stem. ‘Zou u zo vriendelijk willen zijn om mij een blikje tomatenpuree aan te geven?’
‘Nu wordt het helemaal mooi! Flikker op!’, denk ik. Tegelijkertijd hoor ik mezelf zeggen: ‘Natuurlijk mevrouw, alstublieft’. Met verbazing zie ik hoe ik haar het blikje geef waar ik zoveel moeite voor heb moeten doen. ‘U hebt geluk, dit is de laatste’. Ik weet niet waarom ik dit doe, waarom ik niet gewoon zeg dat het schap leeg is en het blikje in mijn eigen mandje laat vallen.
“Heel vriendelijk, dank u wel hoor” zegt de vrouw en terwijl ze het blikje aan wil pakken, duwt ze met haar enorme buik – of is het haar verbazingwekkend laaghangende boezem – het boodschappenkarretje een paar centimeter vooruit. Precies ver genoeg om een van de wieltjes op de nagel van de kleine teen van mijn rechtervoet te parkeren. In een reactie trek ik mijn voet snel terug, wat alleen maar voor meer pijn zorgt. Ik kijk naar beneden en zie een onherkenbaar hoopje van vel, bloed en restjes nagel op de plek waar zojuist nog het topje van mijn teen zat.
‘Oh sorry hoor’ verontschuldigt ze zich. In ieder geval lijkt ze dit keer wel te merken wat ze aanricht. ‘Kan gebeuren mevrouw’, antwoord ik met een rood aangelopen hoofd en tranen in mijn ogen. Ik strompel zo snel ik kan weg van deze martelgang. ‘We bestellen vanavond wel pizza.’ zeg ik tegen mezelf.
‘Meneer…’ roept ze me na. ‘Meneer, u laat een bloedspoortje achter. Wilt u dat wel even opruimen. Voor de hygiëne, begrijpt u wel…’ Andere mensen, net nog haastig hun inkopen aan het doen, nemen even tijd om te stoppen en mij afkeurend aan te kijken.
Een enorme scheldkanonnade ligt op mijn lippen, maar ik kan me wederom inhouden. ‘Ja, natuurlijk’ zeg ik beheerst en ik draai me om, op zoek naar een medewerker van de supermarkt. ‘Daar zit iemand’, zegt de oude vrouw en ze geeft een minimaal knikje in de richting van het gangpad met de pastasauzen waar we net nog stonden.
Een slungelige vakkenvuller zit op zijn hurken, naast een plasje bloed. Hij heeft net de eerste rij met nieuwe blikjes tomatenpuree aangevuld. Zie ze daar staan, trots, barstend van het zelfvertrouwen. Alsof ze me spottend uitlachen en gepromoveerd zijn van een klodder puree tot een compleet blik tomatensoep, poserend voor Andy Warhol.
Arrogante kutblikjes.

