Hoge Poten

Linkerhand door de lus van de riem, rechterhand in mijn broekzak. Kijkend naar het wiegende achterwerk van Muffin loop ik, zoals elke dag, in gedachten. Gedachten zonder inhoud.

Het heeft eerder vanochtend geregend. Ontelbare naaktslakken geven zich bloot. Over de gehele lengte van het natte fietspad liggen ze als vliegdekschepen, strategisch gepositioneerd voor een potje zeeslag, wachtend op een onontkoombaar bombardement. Zijn het geen schoenzolen, dan is de kans groot dat ze in het profiel van een fietsband hun einde vinden.

In de verte komt hij me tegemoet. In het silhouet herken ik zijn houterige pas. De kans is groot steeds dezelfde mensen tegen te komen tijdens één van de dagelijkse uitlaatrondjes. Mits zij ook een hond uit te laten hebben uiteraard.

Ik probeer nog snel een uitwijkroute te vinden, maar er zijn op dit deel van mijn wandeling geen zijstraten en om ineens in tegengestelde richting te lopen is ook zo gek. Ik ontkom er niet aan een gesprekje aan te gaan. Zoals elke dag.

Hij mompelt almaar door, niet echt in zichzelf maar ook niet tegen zijn hond. We zijn tot een meter of 5 genaderd voordat hij ons opmerkt. Muffin kwispelt als een malle. Zij is beste vrienden met de meeste honden in de buurt en zo ook met dit exemplaar.

‘Goedemorgen, hoe gaat het met u?’, begin ik. Hij mompelt: ‘Ja ja, en met u…’ Het is een vraag zonder vraagteken. ‘Wat heeft u voor hond?’, vraag ik. ‘Hij heeft iets weg van een border collie, maar hij staat zo hoog op zijn poten.’ Ik heb zijn aandacht, verrast kijk hij me aan. ‘Haha, ja daar sla je de spijker op zijn kop!’ Hij lacht enthousiast, schiet in een korte hoestbui en vervolgt dan: ‘Zijn moeder is een border collie, welk ras de vader is weet ik niet, maar daar heeft-ie die hoge poten van!’

Hij lacht nog eens uitbundig, hoest een paar keer en loopt dan verder zonder gedag te zeggen. Zijn hond, die nog niet uitgesnuffeld is, achter zich aan trekkend. Ik kijk hem na terwijl hij onbewust genocide pleegt op de lokale slakkenpopulatie. Ik schat hem minimaal vijfentachtig, dus fysiek is hij nog best fit. En zo dement als hij is, toch weet hij blijkbaar altijd de weg naar huis terug te vinden. Hoewel dat vooral aan zijn hond te danken is, die inmiddels weer voor hem uit loopt en hem weinig dwingend de weg wijst.

Ik neem me voor om morgen opnieuw een praatje met hem te maken. Hem niet uit de weg te gaan maar hem weer versteld doen staan door nog eens in één poging het ras van zijn hond, of een ander feitje dat ik al tientallen keren heb aan moeten horen, goed te raden. Heb ik hem toch een momentje aandacht gegeven, zoals bijna elke dag.