Buurtbarbecue

Buurman Bert is wat aan de late kant. Met zweetdruppels op zijn voorhoofd en sterk ruikend naar een mengsel van vers opgespoten deodorant en zware aftershave komt hij aan ons tafeltje hangen. ‘Moest je je nog even scheren?’ vraag ik, wijzend op de rode vlekjes in zijn hals. Ik besluit niks te zeggen over de witte klodder scheerschuim achter zijn oorlel.

De opkomst is goed. Enkele tientallen buurtbewoners hebben zich verzameld op het veldje. Een gezellig geroezemoes klinkt. Kinderen spelen op en om het klimrek. Tussen de bomen hangt een snoer met gekleurde lampjes.

Overbuurman Gerrit opent het vreetfestijn met een luidruchtige kuch om aandacht. Hoewel hij zich van enige voorbereiding onthouden heeft, doet Gerrit het voorkomen of hij de drijvende kracht achter de organisatie is. Hij wacht even tot iedereen naar hem kijkt en pakt een grote met vlees volgestouwde zilverkleurige schaal van het krakkemikkige campingtafeltje naast hem. Hij tilt hem boven zijn hoofd alsof hij net hoogstpersoonlijk de kampioensschaal van de eredivisie in ontvangst heeft genomen. Een rijtje hamburgers glijdt over de rand en belandt deels in het gras, deels op de in teenslippers gestoken voeten van Gerrit. Schuinoverbuurman Piet schiet hem te hulp en duwt de schaal terug in evenwicht, raapt het rauwe vlees van de grond, peutert wat stukjes tussen Gerrits tenen uit en blijft er onbeholpen mee in zijn handen staan. Gerrit negeert Piet en kijkt met een triomfantelijke grijns de buurtbewoners aan. ‘Alle vegetariërs kunnen opflikkeren, want we hebben alleen vlees vandaag!’ Het flesje bier dat hij, om zijn handen vrij te houden, in zijn broekzak heeft gestopt is niet zijn eerste van vanmiddag. En zal ook niet de laatste zijn.

De ongemakkelijke stilte overstemt het lachsalvo van Gerrit. Piet lacht zenuwachtig mee. Niemand zegt iets. Overbuurvrouw Gerrie, al ruim 40 jaar echtgenote van Gerrit, redt al ruim 40 jaar pijnlijke situaties. Zo ook deze. Woorden heeft ze niet nodig. Ze schudt meewarig haar hoofd en houdt, buiten het zicht van Gerrit, een koelbox open waarin een kleurrijke overvloed aan voedingswaren zichtbaar is. Op een stuk schilderstape, slordig afgescheurd en op de voorkant van de koelbox geplakt, staat in hoofdletters “GROENTEHAPJES” geschreven.

‘Gatver…’, zegt buurman Bert meer tegen zichzelf dan tegen iemand anders aan ons tafeltje. Hij haalt zijn neus op, krapt achter zijn oor, beseft niet dat hij scheerschuim aan zijn vinger heeft, stopt diezelfde vinger in de hals van zijn bierflesje en laat hem er met een krachtige plop weer uitschieten. ‘Doe mij maar een speklap Gerrit!’