De vraag komt aan als een uppercut waar Mike Tyson zich niet voor zou schamen: ‘Pap, ben jij ooit wel eens echt iets geweest?’.
Ik kan wel door de grond zakken. Zoekend naar woorden en evenwicht.
‘Pap, hoor je me?’ Natuurlijk wil Loek mij niet opzettelijk kwetsen, ervan uitgaande dat kinderen nog eerlijk en onbevooroordeeld uitspreken wat ze vinden en dat dat meestal verbazingwekkend dicht bij de waarheid ligt.
‘Hoe bedoel je precies?’ vraag ik aan hem, tijdrekkend om een antwoord te verzinnen.
‘Gewoon, jij bent eigenlijk niks. Jij bent altijd thuis bij ons, als papa. Waarom ben je geen brandweerman of machinist of juffrouw?’ Loek maakt geen onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke leerkrachten.
Ik zucht vermoeid. ‘Vroeger, voordat ik ziek werd, werkte ik ook elke dag, maar dat weet jij misschien niet meer. Toen was je nog klein en…’
‘Wat was je dan? Zat je bij de politie?’ onderbreekt hij me.
Ik reageer geïrriteerd. ‘Nee! En ik was ook geen astronaut!’
‘Jammer…’ is het enige antwoord dat volgt. Loek is geschrokken van mijn boze toon en zet snel een filmpje aan op zijn tablet. Ik zucht. Hij heeft wel degelijk gelijk. Ik heb in ieder geval geen duidelijk ingekaderd functieprofiel.
‘Waarom vind je dat jammer dan?’ probeer ik rustig te vragen, terwijl ik naast hem ga zitten en een arm om zijn schouders heen sla. Hij kijkt afwezig op, alsof ik hem stoor. ‘Op school mogen ouders komen vertellen over hun beroep. Maar dat is dan dus niks voor jou. En mama heeft geen tijd, toch?’.
De volgende ochtend op school vul ik mijn naam in op het inschrijfformulier, dat met een punaise op het bord naast de ingang geprikt is. In de tweede kolom op het formulier, onder het kopje “beroep”, schrijf ik: HUISMAN.

