Vissticks

Zondagmorgen half tien, het vriest enkele graden. Ik zit te verkleumen op een laag krukje in een open weiland ter grootte van ongeveer twee voetbalvelden. De snijdende wind heeft vrij spel, de gevoelstemperatuur ligt zeker tien graden onder nul.

Ik was altijd al een dierenvriend. Met alle konijnen, cavia’s en hamsters die ik in mijn jonge jaren verzorgd heb, zou je een middelgrote kinderboerderij kunnen vullen. Ik gaf ze namen van voetballers of filmsterren. Zo had ik een groot bruin konijn met een ruwe langharige vacht waardoor het een rastapruik leek, dat Ruud (Gullit) heette, 2 onafscheidelijke en niet van elkaar te onderscheiden hamsters met de namen Willy en René (die ja…) en Eddy (Murphy), een gevlekte kortharige cavia met buitensporig grote ballen.

Toen ik met Anne ging samenwonen kreeg ik er gratis twee katten bij. Met gespeelde tegenzin had ik eerder al toegegeven dat haar poes ook in mijn appartementje mocht komen wonen, onwetend dat diezelfde poes in de tussentijd nog een nestje kittens op de wereld zou zetten. Het nestje bevatte een rood katertje, waar ik geen afstand van wilde doen. Gezinnetjes kwamen af en aan om een gratis katje uit te zoeken en elke keer weer verstopte ik hem in de slaapkamer. Sindsdien wonen er dus twee bij ons in huis.

Maar honden waren een ander verhaal. Honden zijn veeleisender, minder zelfstandig, je moet ze uitlaten en ze stinken. En stel dat, totaal onwaarschijnlijk maar stel dat, puur hypothetisch maar toch, ik ooit een hond in huis zou nemen, dan moest het wel een stoer ras zijn. Met een brede kop en scherpe tanden. Een waakhond waar inbrekers en Jehovah’s getuigen bang voor zouden zijn.

Ik schrik op uit mijn gedachten. Mijn tanden klapperen. Tenen als vissticks waar Kapitein Iglo trots op zou zijn. Op de stretcher naast me zit de schattigste pup ooit. Een sneeuwwitte golden retriever van negen weken oud. Na maandenlang stug volhouden heeft Anne me alsnog over weten te halen om een puppy te nemen. Haar strategisch geplande charmeoffensief, dat vooral bestond uit het dagelijks bombarderen van mijn socials met lieve-honden-filmpjes, heeft me roemloos ten onder laten gaan. En het ergste van alles: ik ben smoorverliefd op onze Muffin. De minst stoere hond ooit. Een huppelende pluizige reclamezuil voor wc rollen.

Muffin heeft het ook koud. Met geen mogelijkheid – vriendelijke woordjes, lekkere snoepjes, een voorzichtige ruk aan de riem, iets hardere ruk aan de riem, stevige ruk aan de riem – is ze van haar dekentje op de stretcher af te krijgen. Het lukt ons niet om ook maar één van de oefeningen tot een goed einde te brengen. Na drie eindeloze kwartieren mogen we van de cursiste naar huis. Ik draag Muffin terug naar de auto, ze bibbert in mijn armen, maar likt tevreden mijn hand. Allebei stijf van de kou, maar ook een beetje trots op elkaar.

Note to self: puppycursus in de winter is kut.